ER Agenda |
|
Toewijzing emissierechten voor 2013-2020 vastgesteld
VNO-NCW wil eind aan NOx-emissiehandel
Debat over compensatie hogere stroomprijs
Mondiale markt emissiehandel groeit tegen crisis in
Kamer neemt wetsvoorstel en moties aan
Emissiehandel ook voor scheepvaart een optie
Eerste tranche NER300 verkocht
Nationale klimaatrapportage aan EU vernieuwd
Lees de nieuwsbrief hier
CBB 15 december 2011, LJN BV0933 (A B.V. tegen Minister van EZ)
Wet inkomstenbelasting 2001, Uitvoeringsregeling Energie-investeringsaftrek, Energieadvies voor nieuwbouw, bestaande situatie.
Rechtbank Breda 15 december 2011, LJN BV0891 (belanghebbende tegen Belastingdienst Zuid-West)
Als randvermelding. Belanghebbende heeft op 24 maart 2010 een melding/verzoek om verklaring Energie-investeringsaftrek ingevuld ter zake van een op 30 december 2009 aangegane investeringsverplichting. Op 27 maart 2010 heeft belanghebbende de melding gepost. De poststempel is van (zondag) 28 maart 2010. De melding is op 6 april 2010 ontvangen bij het bureau IRWA. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2009 is de inspecteur afgeweken van de aangifte door de gevraagde energie-investeringsaftrek te weigeren. In geschil is of dit terecht is. Belanghebbende had de keuze uit verschillende mogelijkheden om de melding bij het bureau IRWA in te dienen. Belanghebbende heeft door de melding pas op zaterdag 27 maart 2010 per gewone post te versturen het reële risico genomen dat de melding bureau IRWA niet tijdig zou bereiken.
ABRvS 11 januari 2012, LJN BV0565 (appellanten tegen Raad van de gemeente Dalfsen), LJN BV0563
Bij besluit van 31 mei 2010 heeft de raad het bestemmingsplan"5e herziening van het bestemmingplan Buitengebied (voormalige gemeente) Nieuwleusen, Windenergie" vastgesteld.
Het plan maakt de oprichting van vier windturbines in lijnopstelling mogelijk in het gebied Nieuwleusen-west, ten noordwesten van Dalfsen, langs en parallel aan de spoorlijn Zwolle - Meppel. De in het plan voorziene windturbines hebben een ashoogte van 85 meter, een rotordiameter van 82 meter en een tiphoogte van 126 meter. Parallel aan de in het plan voorziene lijnopstelling van vier windturbines voorziet het bestemmingsplan "Windpark Tolhuislanden" op 550 afstand in een lijnopstelling van vier windturbines in de gemeente Zwolle.
Ter beoordeling staat of de oprichting van het windturbinepark in de Tolhuislanden en van het onderhavige windturbinepark tezamen als één activiteit als bedoeld in het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) moeten worden aangemerkt. Echter het is niet aannemelijk geworden dat een zodanige samenhang tussen de windturbineparken bestaat dat de oprichting daarvan dient te worden aangemerkt als één activiteit als bedoeld in het Besluit. De volgende onderdelen worden verder nog behandeld.
2.1 Het plan
2.2 Ontvankelijkheid
2.3 Zienswijze
2.4 Wijziging ontwerpplan
2.5 Milieueffectrapportage
2.6 Nut en noodzaak van het plan
2.7 Rijks- en provinciaal beleid en Omgevingsverordening
2.8 Geluid
2.9 Woon- en leefklimaat bedrijfswoningen
2.10 Natuuronderzoek
2.11 Gezondheidsrisico’s
2.12 Externe veiligheid
2.13 Opruimplicht
2.14 Financiële uitvoerbaarheid van het plan
2.15 Alternatieve locatie
2.16 Conclusie
Als randvermelding. Gewasschade in kassencomplex van eiseres. Beoordeling deskundigenberichten ter zake van de vraag of in de periode van 25 september 2006 tot en met 28 december 2006 een afsluitdop op een leiding/meetbuis heeft ontbroken waardoor er schadelijke uitlaatgassen konden vrijkomen. Partijen mogen zich uitlaten over een nieuw deskundigenbericht ter zake van het causaal verband tussen het ontbreken van de afsluitdop en de gestelde schade. Plantenkwekerij is partij bij de onderhavige overeenkomsten.
Hof 's-Gravenhage 20 december 2011, LJN BV1153 (Eneco c.s. tegen Rotterdam)
Geschil tussen de Gemeente Rotterdam en Eneco over de vraag wie de kosten van het - op aanwijzing van de Gemeente - verleggen van leidingen moet dragen. Het hof oordeelt dat Eneco bij de verzelfstandiging in 1992 een (economisch) opstalrecht op de leiding heeft gekregen, en dat dit opstalrecht niet alleen de eigendom van de leidingen maar ook een zakelijk 'ligrecht' behelst.
Het betreft de advertentie met de aanhef “Goedkoper tanken. Schoner rijden”.
De daaronder staande tekst eindigt met de zinsnede: “En dat ze daarbij ook nog werken aan schonere lucht, is mooi meegenomen voor iedereen die van zijn of haar longen houdt.”
Klager acht de uiting vanwege de gewraakte zinsneden in strijd met de artikelen 1, 2 en 3 van de Milieu Reclame Code (MRC) aangezien autorijden op Autogas van adverteerder niet goed is, ook niet “voor iedereen die van zijn of haar longen houdt”.
Allereerst stelt adverteerder dat GroenGas een wezenlijk ander product is dan Autogas. Adverteerder verwijst naar het in zijn verweerschrift van de website www.fuelswitch.nl overgenomen overzicht waarin de CO2-, de fijnstof- en de NOx-emissie van de verschillende brandstoffen zijn vermeld. CO2 is vooral belangrijk voor de klimaatproblematiek, terwijl fijnstof en NOx effect hebben op de luchtkwaliteit. Uit dit overzicht blijkt dat de fijnstof- en NOx-emissie van GroenGas zeer laag zijn. Iedere kilometer die op GroenGas wordt gereden in plaats van op een traditionele brandstof, draagt bij aan een betere luchtkwaliteit. Een schonere lucht komt ten gunste van de luchtwegen en daarmee de volksgezondheid.
HvJ EU 17 januari 2012, zaak C-347/10 (Salemink tegen raad van bestuur UWV) - perscommuniqué.
Werknemers die werkzaam zijn op gasboorplatformen op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat vallen in beginsel onder het Unierecht. Arbeid die wordt verricht op boorplatformen, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen, moet namelijk voor de toepassing van het Unierecht worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat.
Kantonrechter Assen 20 december 2011, LJN BU9039 (Electrabel tegen gedaagde)
De sanctie op het niet voldoen aan de waarheidsplicht en de substantiëringsplicht door Electrabel is, mede gelet op het feit dat zij een zgn "repeatplayer" is, dat er geen proceskostenveroordeling zal volgen bij toewijzing van de vordering.
Rechtbank Almelo 21 december 2011, LJN BV0016 (AEGON tegen Cogas Energie B.V.)
Omkeringsregel; Aegon geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de brand in C1000[Y] is ontstaan in de door Cogas beoordeelde elektraverdeelinstallatie en in het bewijs van haar stellingen dat Cogas bij het verrichten van de keuring bij C1000[Y] in strijd met de zorgvuldigheid, die zij in het maatschappelijk verkeer jegens C1000[Y] in acht had dienen te nemen, heeft gehandeld, onder meer doordat zij zich niet heeft gehouden aan de van toepassing zijnde NEN-normen en niet adequaat heeft gereageerd. De rechtbank overweegt dat de NEN-normen specifiek strekken ter voorkoming van brandgevaar, dat het brandgevaar door bedoelde normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot en dat het brandgevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, waarmee het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging door Cogas jegens C1000[Y] en het ontstaan van de schade moet worden aangenomen, behoudens door Cogas te leveren tegenbewijs
CBB 21 december 2011, LJN BU9728 (A tegen Staatssecretaris van EZ, Landbouw en Innovatie) en LJN BU9729Inzake duurzame stallen, subsidie, criteria. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2010, waarbij verweerder de aanvraag van appellant om steun bij investering in een integraal duurzame stal op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft afgewezen. Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit;
CBB 23 december 2011, LJN BU9127 (Rendo, Netbeheer Nederland, Liander N.V., Endinet tegen NMa)
Beslissing tot heropening onderzoek Methodebesluit gas Aankondiging prejuciële vragen over begrip "ondersteunende diensten", ORV aansluitdichtheid, gestandaardiseerde activawaarde (GAW).
4.2.4 Het College overweegt dat uit de memorie van toelichting bij artikel 1, eerste lid, onder t, Gaswet blijkt dat de daarin neergelegde definitie van het begrip 'ondersteunende diensten' is overgenomen uit artikel 1, onderdeel 14, van de tweede Gasrichtlijn (Kamerstukken II, 2003 2004, 29 372, nr. 3, p. 55). De betekenis van deze bepaling is naar het oordeel van het College niet zodanig duidelijk dat over de uitleg daarvan redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Het College zal daarom met toepassing van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing verzoeken. Alvorens daartoe over te gaan, zal het College het onderzoek heropenen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de door hen gewenste formulering van deze vragen.
Kantonrechter Haarlem 28 december 2011, LJN BV0329 (Oxxio tegen gedaagde)
Nu Oxxio zich bedient van telefonische contractsluiting met voice logs als bewijs, dient zij ervoor zorg te dragen dat ook de –toegestane- mondelinge opzeggingen deugdelijk worden geregistreerd. Enkele betoog van Oxxio dat opzegging onbekend is, baat haar niet. Vergoeding voor energieleveranties uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in dit geval niet redelijk en schade kan niet zonder meer worden gesteld op factuurbedrag.
CBB 20 december 2011, LJN BU9577 (A h.o.d.n. B Rozen tegen NMa)
Artikel 30 Elektriciteitswet 1998. In rekening brengen van systeemdienstentarief in geval van vijf Warmtekrachtkoppelingsinstallaties die zijn aangesloten op het net zonder er elektriciteit aan te onttrekken.
6.1 Het College stelt voorop dat - gelet op het bepaalde in artikel 8:22 Awb in samenhang met artikel 27 van de Faillissementswet (Fw) - het faillissement van appellant aan de ontvankelijkheid van zijn beroep niet in de weg staat. Verweerder heeft naar aanleiding van het faillissement immers niet om schorsing van de zitting verzocht teneinde de curator tot overneming van het geding op te roepen, noch heeft de curator het proces eigener beweging overgenomen en in dat kader appellant buiten het geding doen stellen.
Rechtbank Assen 15 november 2011, LJN BU9407 (OXXIO NL tegen gedaagde)
Extreem hoge elektriciteitsnota: energieleverancier mag het gebruik niet baseren op evident onjuiste meterstanden die de netbeheerder weigert te corrigeren.
4.3 De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] gelet hierop niet gehouden was en is om de jaarafrekening 2007/2008 te voldoen. Oxxio had na haar herhaalde brieven en uitnodigingen de meterstanden moeten (laten) controleren en de jaarafrekening moeten aanpassen. Oxxio's verweer dat de netbeheerder dat niet toe zou staan wordt verworpen: [gedaagde] heeft een contract met Oxxio en zij heeft recht op een correcte jaarafrekening. Als de netbeheerder de energieleverancier dwingt om evident onjuiste gegevens te hanteren, behoren zij dat onderling op te lossen en de rekening daarvan niet bij de consument neer te leggen.
Er wordt een korting aangeboden die volledig afhankelijk is van zaken die buiten eenieders invloed liggen. Daarmee is in feite sprake van een kansspel. Klager is van mening dat een energierekening en een kansspel ‘niet passen’. Voorts wordt in de uiting niet meegedeeld dat sprake is van een kansspel, waarover wellicht kansspelbelasting zal zijn verschuldigd.
Adverteerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de Commissie niet bevoegd is om een oordeel te geven met betrekking tot de onderhavige klacht nu het buiten haar taakstelling zou vallen te oordelen of een uiting al dan niet strijdig is met de Wet op de Kansspelen. Naar het oordeel van de Commissie kan de onderhavige actie, waarbij iedere klant een ‘windkrachtkorting’ krijgt waarbij de hoogte van die korting afhankelijk is van de windkracht, niet worden beschouwd als een kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen.
De bevoegdheid van de Commissie berust op haar vrijheid haar oordeel te geven over iedere openbare aanprijzing van goederen, diensten of denkbeelden. Eenieder die meent dat een uiting in strijd is met de Nederlandse Reclame Code, kan bij de Commissie een klacht indienen. De Commissie is derhalve bevoegd om de reclame-uitingen van adverteerder te beoordelen, op basis van de bezwaren van klager, ook voor zover de klacht impliceert dat de uiting aan de wet moet worden getoetst, waarbij de Commissie verwijst naar artikel 2 NRC.
Bedrijven die in 2012 investeren in energiebesparing kunnen via de Energie-investeringsaftrek (EIA) in totaal € 151 miljoen fiscaal terug krijgen van de overheid. Op de nieuwe Energielijst staan 160 investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie, waarbij 41,5 procent van de investeringskosten mag worden afgetrokken van de fiscale winst. Een belangrijke wijziging is dat voor de EIA 2012 aanvragen digitaal ingediend moeten worden bij Agentschap NL. Dit blijkt uit een publicatie van de Energielijst van 2012 op 30 december 2011 in de Staatscourant.
Lees meer hier
Rechtbak Rotterdam 14 december 2011, LJN B9622 (Sustainable Dance Club B.V. tegen Diviertt S.l.)
Als randvermelding: Contractenrecht betreffende huur Sustainable Dance Floor. Bekrachtiging onbevoegde vertegenwoordiging. Toerekening kennis vertegenwoordiger aan vertegenwoordigde.
Partijen zijn op 4 december 2009 een overeenkomst aangegaan met betrekking tot de huur van een door SDC ten behoeve van Diviertt ontworpen “Sustainable Dance Floor” voor de huurprijs van € 79.977,-. Op de huurovereenkomst zijn de General Terms and Conditions van SDC (hierna: GTC) van toepassing. Diviertt heeft op die huurprijs twee maal € 11.999,- betaald, maar € 57.037,- onbetaald gelaten. Ingevolge de overeenkomst diende laatstgenoemd bedrag uiterlijk op 15 juni 2010 te zijn betaald.
Het Nederlandse recht is van toepassing op de overeenkomst, naar het verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging is het spaans recht van toepassing (woonplaatsprincpe); door bekrachtiging bestaande uit handeling is Diviert gebonden aan de overeenkomst en dient zij de huurprijs te betalen. Diviertt wordt veroordeeld om €57.037 te betalen en wordt veroordeeld in de proceskosten.
Contractrecht. Exhibitieplicht, rechtmatig belang, afschrift niet-bestaande stukken?Afspraken over reclamecampagne waarin de dubbele betekenis van de pay off "Gewoon doen!" maximaal uit te nutten door gebruik te maken van twee personages ("HET symbool van het 'gewone' Nederlandse volk en vrouwelijke medewerkster van NLEnergie in de Frans Bauer-spots). Er is een duurovereenkomst van 24 maanden met een escapeclausule. De mediakosten mogen niet boven de €100 per huishouden komen.
Ex artikel 843a Rv wordt gevorderd opgave te doen van wijze van berekenen van de mediakosten. My Dream Music wil inzicht krijgen in de mediakosten en de ontwikkeling daarvan gedurende de looptijd van de overeenkomst om de rechtmatigheid van de opzegging van deze overeenkomst door de Nederlandse Energie Maatschappij te toetsen. My Dream Music wil voorts inzicht krijgen in de mediakosten en de ontwikkeling daarvan gedurende een periode van een jaar voorafgaand aan de overeenkomst, omdat uit de thans door de Nederlandse Energie Maatschappij aan My Dream Music overgelegde overzichten blijkt dat de mediakosten per nieuw geworven huishouden gedurende die periode niet, zoals in het dealmemo is vermeld, € 60,00 bedroegen maar veel meer. Dat brengt mee, aldus My Dream Music, dat de Nederlandse Energie Maatschappij haar bij het aangaan van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Samenvattend zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten.
Levering gas. Redelijkheid en billijkheid. Afnemers van gas mochten in redelijkheid niet verwachten dat zij niet voor het gasgebruik en de bijbehorende diensten de gebruikelijke tarieven behoeven te betalen als hun gasaansluiting door een fout niet is opgenomen in de administratie van de gasleverancier.
2.16 [ Geïntimeerden ] hebben zich in eerste aanleg tegen de vordering verweerd met een beroep op de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Zij mogen in redelijkheid echter niet verwachten dat zij niet voor het gasverbruik en de bijbehorende diensten de gebruikelijke tarieven behoeven te betalen als hun gasaansluiting door een fout niet is opgenomen in de administratie van Nuon en/of de aan Nuon gelieerde vennootschappen. Ook indien de facturen van Nuon en de aan haar gelieerde vennootschappen onduidelijk zijn, mogen [ Geïntimeerden ] aan die enkele omstandigheid in redelijkheid niet de verwachting ontlenen dat zij minder behoeven te betalen. Ook alle omstandigheden van het geval, in samenhang beschouwd, leiden niet tot het oordeel dat het beroep op de eisen van de redelijkheid en billijkheid slaagt.
HvJ EU 21 december 2011, zaak C-503/10 (Evroetil AD tegen Direktor na Agentsia "Mitnitsi")
Prejudiciële vragen ingediend door de Varhoven administrativen sad, Bulgarije
Richtlijn 2003/30/EG – Artikel 2, lid 2, sub a – Begrip bio-ethanol – Product gewonnen uit biomassa, met ethylalcoholgehalte van meer dan 98 % en niet gedenatureerd – Relevantie van daadwerkelijk gebruik als biobrandstof – Verordening (EEG) nr. 2658/87 – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefindeling van bio-ethanol ten behoeve van accijnsheffing –Richtlijn 2003/96/EG – Energieproducten – Richtlijn 92/83/EEG – Artikelen 20, eerste streepje, en 27, lid 1, sub a en b – Begrip ethylalcohol – Vrijstelling van geharmoniseerde accijns – Denaturering
Op vele vragen [ zie het verzoek ] het antwoord: 1) De omschrijving van bio-ethanol in artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer moet aldus worden uitgelegd, dat zij een product omvat als in het hoofdgeding aan de orde, dat met name gewonnen wordt uit biomassa en meer dan 98,5 % ethylalcohol bevat, mits dit product als biobrandstof voor het vervoer te koop wordt aangeboden.
2) Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd, dat op een product zoals aan de orde in het hoofdgeding, dat meer dan 98,5 % ethylalcohol bevat en dat niet via een daartoe uitdrukkelijk voorgeschreven procedé is gedenatureerd, moet worden onderworpen aan de accijns vastgesteld bij artikel 19, lid 1, van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, ook al is dit product gewonnen uit biomassa volgens een ander procedé dan het procedé voor de winning van ethylalcohol uit landbouwproducten, bevat het stoffen die het ongeschikt maken voor menselijke consumptie, voldoet het aan de voorschriften van de Europese ontwerpnorm pr EN 15376 voor bio-ethanol die wordt gebruikt als brandstof en beantwoordt het in voorkomend geval aan de omschrijving van bio-ethanol in artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30.
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer – uitgebreid) van 11 juni 2009, AEM/Commissie (T301/02), houdende verwerping van de vordering tot nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/193/EG van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB L 77, blz. 21). Middelen worden afgewezen en A2A wordt verwezen in de kosten.
Middelen, antwoord slechts franstalig beschikbaar
Met haar eerste middel stelt A2A S.p.A. dat het Gerecht artikel 87, lid 1, EG heeft geschonden en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, voor zover het de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting als staatssteun heeft gekwalificeerd. Meer in het bijzonder heeft de Commissie in de beschikking niet aangetoond dat in casu is voldaan aan twee van de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG, namelijk vervalsing van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten. Het Gerecht heeft de premissen waarop de Commissie de kwalificatie "steun" heeft gebaseerd, niet correct onderzocht, hoewel het volgens de rechtspraak een "volledig" onderzoek diende te verrichten.
Met haar tweede middel stelt verzoekster subsidiair dat het Gerecht artikel 88 EG heeft geschonden en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, en vordert zij voorts vernietiging van het arrest, voor zover de driejarige vrijstelling van vennootschapsbelasting als "nieuwe steun" wordt gekwalificeerd. Meer in het bijzonder is het Gerecht, dat slaafs de vaststellingen van de Commissie heeft overgenomen, voorbijgegaan aan het feit dat de driejarige vrijstelling ten gunste van gemeentelijke bedrijven die zijn omgevormd tot aandelenvennootschappen, als "bestaande steun" kan worden beschouwd. Een tegenovergestelde conclusie als die van het Gerecht dringt zich op indien ervan uit wordt gegaan dat de betrokken vrijstellingsregeling vóór de inwerkingtreding van het EG-Verdrag ook van toepassing was op gemeentelijke bedrijven, die, zoals de Commissie zelf heeft erkend, dezelfde economische entiteit vormen als de vennootschappen in de zin van wet nr. 142/90.
Met haar derde middel vordert A2A, meer subsidiair, vernietiging van het arrest wegens schending van het gemeenschapsrecht en de hierin vervatte beginselen, voor zover het in de beschikking gegeven bevel tot terugvordering rechtmatig wordt geacht. Volgens verzoekster dient het arrest te worden vernietigd omdat het in de beschikking vervatte algemene bevel in strijd met de vroegere communautaire rechtspraak rechtmatig wordt geacht en in wezen wordt vastgesteld dat de nationale autoriteiten elke discretionaire bevoegdheid ontberen.
![]() |
mckaysavage@Flickr |
Richtlijn 2003/54/EG – Interne markt voor elektriciteit – Installaties voor elektriciteitsopwekking die van essentieel belang zijn voor werking van elektriciteitssysteem – Verplichting om elektriciteit aan te bieden op nationale elektriciteitsbeurs met inachtneming van beperkingen en criteria die door beheerder van transmissie? en distributiesysteem voor elektrische energie zijn vastgesteld – Systeem? en balanceringsdienst – Openbaredienstverplichtingen
Vraag: Staan de artikelen 23, 43, 49 en 56 van het Verdrag en de artikelen 11, leden 2 en 6, en 24 van richtlijn 2003/54/EG in de weg aan een nationale regeling die, zonder aan de Europese Commissie te zijn meegedeeld, bepaalde producenten van elektriciteit die onder bepaalde omstandigheden van essentieel belang zijn om te voldoen aan de energiebehoefte voor de distributiediensten, op permanente basis de verplichting oplegt elektriciteit aan te bieden op de elektriciteitsbeurs volgens programma's die door de externe netwerkbeheerder worden bepaald, en de vergoeding voor die aanbiedingen van energie onttrekt aan de vrije beslissing van de producent door haar te koppelen aan parameters die niet tevoren "volgens transparante, niet-discriminerende en op de markt gebaseerde procedures" zijn vastgelegd?
Antwoord: Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG, en in het bijzonder de artikelen 3, lid 2, en 11, leden 2 en 6, ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij, met het oog op de verlaging van de elektriciteitsprijs in het belang van de eindafnemers en op de zekerheid van het elektriciteitsnetwerk, aan de exploitanten van installaties of groepen installaties die volgens de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde criteria worden geacht van essentieel belang te zijn om te voorzien in de elektriciteitsbehoeften die aan de systeemdiensten verbonden zijn, de verplichting wordt opgelegd om elektriciteit aan te bieden op de nationale elektriciteitsmarkten tegen voorwaarden die vooraf door deze instantie zijn vastgesteld, voor zover deze regeling niet verder gaat dan ter bereiking van het daarmee nagestreefde doel noodzakelijk is. De verwijzende rechter dient na te gaan of in het hoofdgeding aan die voorwaarde is voldaan.
HvJ EU 21 december 2011, zaak C-250/10 (Haltergemeinschaft LBL GbR tegen Hauptzollamt Düsseldorf)
Prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland)
Richtlinie 2003/96/EG – Besteuerung von Energieerzeugnissen und elektrischem Strom – Art. 14 Abs. 1 Buchst. b – Befreiung für Energieerzeugnisse zur Verwendung als Kraftstoff für die Luftfahrt – Kraftstoff, den der Vercharterer eines Luftfahrzeugs stellt, das die Charterer für Flüge verwenden, die anderen Zwecke dienen als der entgeltlichen Erbringung einer Luftfahrt-Dienstleistung
Vraag: Kan - onder voorbehoud van een bevestigend antwoord op de eerste vraag in de beslissing van het Bundesfinanzhof van 1 december 2009 (VII R 9, 10/09) in de reeds bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangige prejudiciële procedure C-79/10 - ook een verhuurder of vervrachter die zijn luchtvaartuig met inbegrip van de door hem te leveren reactiemotorbrandstof verhuurt of vervracht, aanspraak maken op de vrijstelling van belasting waarin is voorzien bij artikel 14, lid 1, sub b, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit1?
Antwoord [ computervertaling ] Artikel 14, lid 1, sub b, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit kan zodanig worden uitgelegd, dat in dat artikel voorziene vrijstelling van belasting voor de levering van reactiemotorbrandstof aan de luchtvaart, met uitzondering van de privé (niet-commerciële) luchtvaart, niet ten goede kan komen, wanneer een onderneming het aan hem toebehorene luchtvaartuig uitsluitend de brandstof aan ondernemingen verhuurt of vervracht, welke luchtvaartbedrijvigheid niet onmiddellijk het aanbieden van luchtvaartverkeersdiensten via die onderneming betreft [computervertaling uit het Duits].
Hof Amsterdam 22 november 2011, LJN BU9024 (Liander vs. geïntimeerde)

Levering elektriciteit buiten de meter ivm hennepkwekerij. Bewoner pand wordt aangemerkt als contractant van de netbeheerder. Het verweer dat de bewoner lange tijd in het buitenland verbleef en buiten zijn wetenschap een hennepkwekerij werd aangelegd baat niet. Bewoner heeft niet aan zijn zorgplicht van goed bewaarnemer van de in de woning aanwezige elektriciteitsmeter voldaan. Geen btw verschuldigd over netverlies en gevorderde transportkosten.
2.2 Liander is op grond van artikel 10 lid 1 van de Elektrici-teitswet 1998 (verder: de Elektriciteitswet) aangewezen als (enig) regionaal netbeheerder van de elektriciteitsnetten in – onder meer – Noord-Holland. Op grond van artikel 16 lid 1 sub 1 en f juncto 23 en 24 van de Elektriciteitswet verstrekt Li-ander als netbeheerder de gegevens met betrekking tot het ge-registreerde verbruik aan de leverancier van elektriciteit. Zij houdt een aansluiting voor de op het net aangesloten (eind)afnemer in stand. De aansluiting, waaronder de meetin-richting, is eigendom van Liander. Zij brengt voor het gebruik van haar netwerk kosten in rekening. Deze zijn gebaseerd op de Elektriciteitswet en de daarop gebaseerde Tarievencode en technische codes.
HvJ EU 21 december 2011, zaak C-366/10 (Air Transport Association of America c.s. tegen Secretary of state for Energy and Climate Change) - perscommuniqué
Verzoek om prejudiciële beslissing – Richtlijn 2003/87/EG – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten – Richtlijn 2008/101/EG – Opneming van luchtvaartactiviteiten in deze regeling – Geldigheid – Verdrag van Chicago – Protocol van Kyoto – Luchtvaartovereenkomst Europese Unie-Verenigde Staten – Beginselen van internationaal gewoonterecht – Rechtsgevolgen – Inroepbaarheid – Extraterritoriaal karakter van recht van Unie – Begrippen ‚kosten en lasten’ en ‚heffingen’”
Uit't perscommuniqué: De richtlijn waarbij luchtvaartactiviteiten worden opgenomen in de regeling voor de handel in CO2-emissierechten binnen de Gemeenschap, is geldig De toepassing op de luchtvaart van de regeling voor de handel in emissierechten schendt noch de betrokken beginselen van het internationale gewoonterecht noch de „Open Sky”-overeenkomst
Aansprakelijkheid Staat voor onverbindendheid formele wetgeving. Privatisering elektriciteitsproductiesector. Overgangswet elektriciteitsproductiesector (Stb. 2000, 607). Strijd met Elektriciteitsrichtlijn nr. 96/92/EG.
De importeurs verwijten de Staat thans (memorie van antwoord nr. 107):
(1) dat de Staat tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het begin 2001 bereikte Compromis om tot 31 maart 2009 te voorzien in prioritaire importcapaciteit voor de importeurs, althans dat hij in strijd heeft gehandeld met zijn toezeggingen voor de looptijd van het EdF-contract te voorzien in voldoende importcapaciteit;
(2) dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door onvoldoende importcapaciteit beschikbaar te maken voor de importeurs, waardoor zij niet in de gelegenheid waren het EdF-contract op economisch aanvaardbare wijze uit te dienen en zo de niet-marktconformiteit van dat contract te beperken;
(3) dat de Staat heeft verzuimd te voorzien in een alternatieve, geldige regeling dan wel een andere vorm van compensatie voor de importeurs;
(4) dat de Staat heeft verzuimd om tijdig een ontheffing aan te vragen aan de Europese Commissie voor de prioritaire importcapaciteit. Het hof zal deze grondslagen achtereenvolgens bespreken.
RCC 1 december 2011, dossiernr. 2011/00872 (GreenChoice 100% groene energie)
Reclamerecht. Claims op 100% groen. Een advertentie in De Telegraaf van 2 september 2011 met als kop: “Greenchoice de enige energieleverancier van 100% groene energie”. Echter de claim “100% groen” kan niet worden waargemaakt. Greenchoice zegt op haar website de CO2-uitstoot te compenseren, maar dat is niet 100% groen. De Commissie wijst klacht af voor wat betreft groene stroom, maar doet aanbeveling voor wat betreft de gaslevering op basis van art. 2 en 3 Milieu Reclame Code.
De mededeling “100% groene energie” moet worden aangemerkt als een milieuclaim in de zin van artikel 1 van de Milieu Reclame Code (MRC). Krachtens artikel 2 MRC mogen milieuclaims geen mededelingen bevatten waardoor de consument misleid kan worden over milieuaspecten van het aangeprezen product. In artikel 3 MRC is bepaald dat een milieuclaim aantoonbaar juist dient te zijn, waarbij de bewijslast op de adverteerder rust en zwaardere eisen aan het bewijsmateriaal worden gesteld naarmate de milieuclaim absoluter is geformuleerd.
Op grond van de Gaswet stelt de Raad van Bestuur van de NMa jaarlijks de maximum transport- en aansluittarieven vast voor elke regionale netbeheerder gas. Jaarlijks dient de netbeheerder daartoe bij de Energiekamer NMa een voorstel in voor de tarieven voor het volgende jaar.
Tariefbesluit Elektriciteit 2012
Op grond van de Elektriciteitswet 1998 stelt de Raad van Bestuur van de NMa jaarlijks de maximum transport- en aansluittarieven vast voor elke regionale netbeheerder elektriciteit. Jaarlijks dient de netbeheerder daartoe bij de NMa een voorstel in voor de tarieven voor het volgende jaar.
Tariefbesluit GTS flexibiliteitsdiensten 2012
De Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) stelt op grond van artikel 82, vijfde lid van de Gaswet jaarlijks de tarieven vast die de netbeheerder van het landelijk gastransportnet in rekening brengt voor de uitvoering van een aantal wettelijke taken.
Met deze besluiten geeft de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de Raad) uitvoering aan artikel 41c, eerste lid en artikel 41e, vierde lid van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet). Op grond hiervan stelt de Raad de tarieven, die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet ten hoogste zal berekenen voor de uitvoering van de taken genoemd in artikel 16, eerste en tweede lid van de E-wet, jaarlijks vast.
Tevens geeft de Raad met het besluit voor algemene transporttaken uitvoering aan artikel 41a, tweede lid van de E-wet. Op grond hiervan kan de Raad het rekenvolume van elke tariefdrager waarvoor een tarief wordt vastgesteld (hierna: rekenvolumina) voor transporttaken gedurende een reguleringsperiode wijzigen.
Onderhavige besluiten betreffen de vaststelling van de maximum tarieven voor TenneT TSO B.V. voor het jaar 2012 voor het transport op het extra hoogspanningsnetwerk (met een spanningsniveau van 220/380 kV), voor het transport op het hoogspanningsnet (met een spanningsniveau van 110/150 kV) en voor het verrichten van systeemtaken. Daarnaast worden met het besluit voor transporttaken de rekenvolumina gewijzigd. De aan deze besluiten toegevoegde bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze besluiten. Op korte termijn worden de rapporten die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de doelmatigheid van de investeringen toegevoegd aan deze webpagina.